De Koran of Qoer’ān (Arabisch: القرآن, al-qoer’ān) is het enige van de door moslims erkende islamitische Heilige Boeken dat zuiver zou zijn overgeleverd. Volgens de islamitischetraditie zijn de woorden in de Arabische taal door God via de engel Djibriel aan Mohammedgeopenbaard. De Koran wordt beschouwd als het eerste prozawerk uit de Arabische literatuur en heeft een grote invloed gehad op de literaire ontwikkeling van het Arabisch.

Het Arabische woord قرآن (qoer’ān) betekent oplezing, voordracht. Koran wordt gebruikt voor de Nederlandse vertaling. Een vertaling wordt door moslims doorgaans niet als authentiek gezien, omdat vertalen automatisch interpreteren zou betekenen. Iedere vertaling is dus ‘slechts’ een interpretatie. Vertalingen vertonen, door de opbouw van de Arabische taal, op essentiële punten grote verschillen en worden dan ook niet als gezaghebbend erkend. Exegese op de Arabische Koran is wel mogelijk en wordt tafsir genoemd. De bekendste islamitische geleerden (oelema) spreken daarom over een ‘exegetische vertaling’.

De Koran is de eerste bron van de islam, maar de Overleveringen (Hadith) zijn de tweede bron[1]. De Koran geeft geen specifieke antwoorden op elke vraag of elk probleem. Mohammed en zijn metgezellen worden gezien als de levende uitleggers in praktijk, vastgelegd in de Overleveringen. De Koran en de (minder absolute) Hadith samen vormen de basis van de islam.[2]

Voor moslims is de autoriteit van de Koran absoluut. Het wordt gezien als het Woord van God. De Koran wordt echter wel geïnterpreteerd. Dit kan een dynamische interpretatie zijn die met de omstandigheden verandert.